10 jaar runderbegrazing in Doeveren

Het begin

Op 6 mei 2010 verzamelden de medewerkers van Doeveren zich om de aankomst van de allereerste runderen bij te wonen. Vijf dieren ruilden er de beestenkar in voor een zomer in de natuur. De kar was nog maar net geopend, of de dieren stoven linea recta de weide over en het bos in, uit het zicht van de gegadigden. Dat was niet meteen verwacht. Pas na een kleine wandeling zagen we hen terug, vredig grazend op het meest malse stukje grasland dat we voor hen in het begrazingsblok hadden voorzien. De eerste les was geleerd: we kunnen de dieren wel sturen, maar temmen alvast niet.

Eén en al experiment?

De inzet van grote grazers in het natuurbeheer kende de afgelopen decennia een grote opmars, en is ondertussen een standaardpraktijk. Tegelijk groeide het wetenschappelijke inzicht. Die toont alvast aan dat natuurontwikkeling onder begrazing veel onvoorspelbaarder verloopt dan met andere technieken het geval is. Waar grazers worden ingezet, zijn de processen steeds dezelfde, maar de resulterende patronen zijn dat zelden. We blikken daarom graag even terug op de lessen die we met 10 jaar begrazing in Doeveren hebben geleerd.

Doeveren is een mozaïek van bossen, dreven, heide, graslanden, voormalige akkers en poelen. Het gebied is 67 ha groot, waarvan 41 ha wordt begraasd door galloway-runderen. Het ene blok (15 ha) wordt ’s zomers begraasd door een vijftal dieren (schraal grasland, heide en bos), het andere blok (26 ha) wordt ’s winters begraasd door een twintigtal dieren (rijk grasland, struweel en bos).

Figuur 1 – Sinds 2010 helpen runderen bij het beheer van Doeveren

Van maïs naar wildernis

Een evolutie waar we nieuwsgierig naar uitkeken was dat op de voormalige maïsakkers die nu enkel nog seizoenaal zouden worden begraasd. Deze terreinen startten immers zo goed als blanco.

De zes betreffende percelen (8 ha) vertoonden gauw onderlinge verschillen. Op één perceel was de verbossing ingezet vóór de komst van de runderen, die dit niet hebben kunnen tegenhouden. Een ander perceel bleef dan weer halfopen, met brem en berk als hoofdmoot. Lokale zeldzaamheden als levendbare hagedis en vogelpootje vinden er een stekje.

Figuur 2 Een brem- en berkenstruweel (links). De runderen eten volop bast van boswilg, maar deze biedt moedig weerstand. Boswilg krijgt dan een stuntelige vorm (rechts).

Op de meeste percelen spelen echter boswilg en duinriet een hoofdrol. Boswilg wordt hardhandig aangepakt door de runderen, maar biedt toch moedig weerstand. Duinriet wordt niet gesmaakt, en profiteert enorm van de vrijgekomen ruimte. De grote, dichte klonen verhinderen de vestiging van andere planten. Het halfopen landschap dat we zien ontstaan, wordt op deze plekken dan ook niet zozeer veroorzaakt door het grazen van struikjes, maar eerder door het niet-grazen van dit ene gras!

Figuur 3 – Vanuit de lucht is de uitbreiding van duinriet goed zichtbaar.

Wijdse weilanden

Tien hectaren begraasd grasland worden jaarlijks aanvullend gemaaid door een landbouwer. Hier hielpen de runderen duidelijk voor een versnelde vestiging van soorten als pinksterbloem, ratelaar en orchideeën. Deze percelen zijn botanisch nu veel rijker dan gelijkaardige graslanden elders in het gebied, die onder hetzelfde maaibeheer zijn geplaatst maar niet worden begraasd. Het valt niet met zekerheid te zeggen of dit komt omdat de bodem verschraald is. Mogelijk zijn de vele verstoringen (bv. vertrappeling, verhinderen van strooiselopbouw) bepalender voor de vestiging van deze soorten. Als voornaamste zaadbron verdenken we bovendien het hooi, dat occasioneel wordt gebruikt om de dieren te lokken.

Figuur 4 – Een mestkever (links). Runderen dragen plantenzaden met zich mee, zoals dit rund op zijn kop (rechts)

In bos en hei

Op de heide gaan de dieren gretig het pijpenstrootje te lijf. Waarvoor dank. Soorten zoals struikhei en dophei worden minder begraasd, en krijgen er betere kansen door. Waarvoor ook dank. Hergroei van Amerikaanse eik wordt ook gesmaakt. Maar van rododendron en lork blijven de dieren dan weer af: voor deze soorten hoeven de beheerders op hun hulp niet te rekenen.

De grootste uitdaging situeert zich in de bossen. De runderen lusten namelijk ook zomereik en hazelaar, of passeren er over dalkruid en salomonszegel. Om de bosverjonging en -flora niet te schaden, moet dus een delicaat evenwicht worden bewaard. Concreet moeten we daarom de vinger aan de pols houden, en bijsturen waar nodig. Dat kan via het aantal dieren dat wordt ingezet, het tijdstip van aankomst en vertrek, of de plaatsing van rasters. Vooral met dit laatste zou het beheer gefine-tuned kunnen worden, maar teveel prikkeldraad is dan weer storend. Natuurbeheer is ook keuzes maken…

En nog

De runderen dragen ook op heel andere manieren bij aan de natuur. Zo creëert hun mest een heel eigen biotoop. In Doeveren zijn al tien soorten mestkevers gevonden. We kunnen maar vermoeden dat ook vleermuizen en vogels er hun profijt uit halen. Daarnaast verplaatsen de dieren plantenzaden via hun vacht en mest van de ene uithoek naar de ander. Waarvoor, opnieuw, dank.

Welzijn voor dier…

De galloway-runderen hebben gedurende het decennium hun zelfredzaamheid al uitgebreid bewezen. Dit ras, dat zijn oorsprong kent in het Schotse laagland, gedijt goed zonder menselijke tussenkomst. Haast jaarlijks worden in het gebied kalfjes geboren, zonder begeleiding. Het moederdier trekt zich dan spontaan terug in het struikgewas. Verder bewijst het ras zich ook in gure weeromstandigheden, bij regen, wind en zelfs sneeuw (al moet in dit laatste geval wel worden bijgevoederd). De wolharige dieren hebben zelfs eerder te lijden onder de hitte van de zomer, dan onder winterse condities.

Figuur 5 – Jaarlijks worden kalfjes geboren in Doeveren (links). Ook in de sneeuw weten de dieren zich goed te redden (rechts)

Dit alles betekent uiteraard niet dat de dieren aan hun lot worden overgelaten. De zorg voor de kudde wordt met veel toewijding gedragen door de vrijwilligers van Natuurpunt Zedelgem en de professionele medewerkers van Natuurpunt. Tot nu toe zijn er geen grote incidenten (bv. ziekte, waterschaarste, ontsnappingen) te melden.

… en voor de mens

Een niet te onderschatten effect van de dieren, tenslotte, is dat op recreanten. De dieren voegen een gevoel van spontaneïteit toe aan een wandeling. Een tikje wildernis, zeg maar. Als beheerders ontvangen we veel vragen over “waar de koeien zitten?”, of “wanneer de koeien komen?”, en niet zelden blijken de dieren de reden te zijn waarom wandelaars uitgelezen in Doeveren komen wandelen.

Een punt van zorgen blijft natuurlijk dat honden moeten worden aangelijnd, een verplichting waar nog te vaak aan wordt verzaakt. Dat elke hond in kwestie een uiterst braaf beestje is -afgaande op wat de eigenaars ons vertellen- is geen argument. De anders zo minzame runderen kunnen in de nabijheid van honden best onvoorspelbaar uit de hoek komen, wat tot tal van risico’s leidt.

Figuur 6 – knuffelkoe (links). Maar: kijken mag, aankomen niet (rechts)

Conclusie

Ondanks dat de dieren ons bij momenten aardig wat werk bezorgen, is het duidelijk dat de dieren een dynamiek aan het gebied toevoegen die op allerlei (rechtstreekse en onrechtstreekse) manieren de natuur van Doeveren ten goede komt. Dat de dieren leuk zijn om gade te slaan, is daarbij mooi meegenomen.

Ze mogen blijven.

Zelf zien?

De ‘groene’ wandeling (3,2 km) in Doeveren loopt dwars door de begrazingsblokken. Zie https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/doeveren . De beste periode is van oktober tot en met januari. Er zijn geen dieren aanwezig tussen februari en mei. Let op dat de dieren goed verstopt kunnen zijn.

Tekst : Bram D’hondt (zedelgem@hotmail.com)
Foto’s : Erwin Derous, Bram D’hondt