Plaisiersbos

Ligging

Het Plaisiersbos situeert zich in de zuidoostelijke hoek van de Zedelgemse deelgemeente Veldegem, op een boogscheut van het driegemeenten punt gevormd door Veldegem (Zedelgem), Ruddervoorde (Oostkamp) en Torhout. Het nagenoeg 30 ha groot domein is een relict van het bossencomplex dat zich rond de vorige eeuwwisseling nog uitstrekte ten zuiden van de dorpskern van de parochie Veldegem.
Op de topografische kaart draagt dit gebied het toponiem Bosserij. Hiertoe behoorden ook de Twaalf gemeten- en de Steenovenbossen. Aansluitend lagen meer westelijk de Tsoengelbossen langs de spoorlijn Torhout-Brugge. Een groot deel van deze bossen, waaronder het huidig Plaisiersbos situeerden zich tot aan de officiële erkenning in 1920 van de gemeente Veldegem op Torhouts grondgebied.

Historiek

plaisiersbos_hagelschade_op_beuk

Hagelschade

Het Plaisiersbos is een jong ontginningsgebied. Tot voor een paar eeuwen bestond het gebied nog uit woeste, ongecultiveerde gronden. Het “Velt” of “Bruyère” zoals de streek genoemd werd, was een uitloper van het grote Bulskampveld dat zich over een breedte van ongeveer 3 km uitstrekte van Torhout tot Loppem.
Op de kaart van Ferraris wordt het noordelijk gedeelte naar Loppem toe, aangegeven als het “Haemersveld” en het meer zuidwaarts gelegen deel als de “Loovelden”. Het velt bestond uit verspreid bos en struikgewas en was doorspekt met talrijke vijvers en moerassen. Er waren – de paden uitgezonderd – geen wegen, waardoor het moeilijk toegankelijk was en onbewoond. De schaarse bevolking woonde aan de randen waar twee primitieve woon kernen, het “Lepegat” en “t Hoge velt” ontstonden.
Het gebruik van sommige delen van het velt was onderworpen aan een “cijns”, dit is een soort erfpacht of vergoeding (in geld of natura) tegenover de eigenaar. Voornoemde velden vielen binnen de Heerlijkheid Den Houtschen op Lophem, die ongeveer 25 cijnzen telde. De naam “Cijnsdreef” (op de grens tussen Torhout en Veldegem) is mogelijks een verwijzing naar de tijd van toen. Op het einde van de Cijnsdreef heeft ooit een afspanning “De Cijns” gestaan. De “Herderinnedreef” kruist de Cijnsdreef en geeft zuidoostelijk toegang tot het Plaisiersbos. Op de kaart van Van der Maelen (1845) komt een “Herderinne Cabaret” voor.  Deze namen verwijzen naar de grazige heideachtige toestand van het veldgebied tijdens de achttiende en negentiende eeuw.
De veel voorkomende struikhei (Calluna vulgaris) op het velt werd door de bewoners “krakke” genoemd. Het werd in de herfst gekapt, getrokken of gemaaid en na droging gebruikt als brandstof, strooisel en zelfs als dakbedekking op de schamele lemen huisjes. De dophei (Erica cinerea), minder ruig, werd ‘heed’ genoemd. Zowel krakke als heed leenden zich uitstekend voor het vervaardigen van veegbezems en potten bezems. De benamingen ‘Bezembinderstraat’ en de wijk “Pottebezem” getuigen nog van deze activiteit. De inwoners van Veldegem zijn heden ten dage nog bekend als het krakkevolk.

Reeds tijdens de Oostenrijkse tijd drong de ontginning van velt gebied zich op, mede door de stijgende vraag naar hout en de behoefte aan meer voedsel. Het in productie nemen van woeste gronden werd door de opeenvolgende machthebbers (Oostenrijkers, Fransen, Hollanders en Belgen) aangemoedigd via vrijstellingen van belasting.
Na ontwatering en drooglegging werd er gekozen voor een rationele methode voor bebossing. Er werden veel rechtlijnige dreven aangelegd in een dambordstructuur, omzoomd met hoogstammige bomen. De zijden van de percelen hadden een lengte van ongeveer 200 tot 250 meter. Deze dambordstructuur is nog altijd te onderscheiden in het stratenplan van Veldegem. Enkele namen verwijzen nog naar de tijd van een paar eeuwen geleden. We noteren: Bosdreef, Klaverdreef, Belledreef, Bosserij, Boswegel, Halfuurdreef, Cijnsdreef, Herderinnedreef, Acaciastraat die vroeger Acaciadreef heette. De Halfuurdreef was een halfuur gaans lang en liep van op het grondgebied Torhout tot in Loppem.
In de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen de meest zuidelijk gelegen bossen in het bezit van de familie de Crombrugge-Matthieu. In de boswachtershoeve, die op de gevel het jaartal 1840 draagt, werd August Plaisier (1855-1933) als opzichter geïnstalleerd. Het was een opmerkelijk ondernemende persoon. In februari 1900 diende hij bij het Torhouts stadsbestuur een aanvraag in voor de installatie van een permanente steenoven langs de Herderinnedreef. Als toeziener, boswachter en beheerder van de steenoven was hij de aanleiding tot de naam “Plaisiersbos”.

Voliere

Voliere

In 1975 werden het Plaisiersbos, de omringende landerijen en de pachthoeven door de erfgenamen van de laatste adellijke eigenaar verkocht. Het bos, nog 22 hectaren groot, werd samen met nog wat aanliggend weiland aangekocht door de nv Roodaerd uit Waardamme. Het werd strikt privé gehouden en als jachtgebied uitgebaat. In talrijke lage volières werden tijdens het jachtseizoen honderden gekweekte fazanten ondergebracht in afwachting van hun vrijlating. Ten gevolge van jarenlange jachtpraktijken vertonen veel bomen, vooral beuken, aanzienlijke hagelschade. De positieve kant van deze periode is het feit dat het waardevolle bos voor verdere verloedering en verkaveling gespaard bleef.

Eind 1999 werd het Plaisiersbos door de gemeente Zedelgem aangekocht. Het beheer werd contractueel toevertrouwd aan de plaatselijke natuurvereniging Natuurpunt.

Natuurwaarde

Het Plaisiersbos is een oud, gemengd loofbos met overwegend inheemse bomen en struiken in een gevarieerde structuur. Gedurende decennia is het afgesloten geweest waardoor spontane, regulerende processen hun gang konden gaan. Op de biologische waarderingskaart is het gebied donkergroen ingekleurd, wat biologisch waardevol betekent.  Bij een inventarisatie door Thomas Defoort werd het bos gekarakteriseerd als een zuur eiken-beukenbos, met aan de noordoost kant een zeer interessante zone van Eiken-Haagbeukenbos, het meest soortenrijke type bos van alle bostypes.

Zuur eikenbos en eiken-beukenbos

Het grootste deel van het bos behoort tot het zuur Eikenbos-type, met plaatselijk dominantie van Beuk in de boomlaag. Het bos werd vroeger beheerd als een middelhoutbos, met voornamelijk Zomereik, soms Amerikaanse eik en plaatselijk ook Beuk in de boomlaag en met een hakhout laag van Esdoorn. Op verschillende percelen werd tussen de aanwezige Eiken en Beuken tevens Lork en soms ook Populier ingeplant.
In de struiklaag vinden we Lijsterbes, Wilde kamperfoelie, Sporkehout, Ruwe berk, Esdoorn, Vlier, Hulst en braam. Adelaarsvaren en Brede stekelvaren zijn ruim aanwezig. Dubbelloof groeit vooral langs de grachtkanten. Op enkele plaatsen komt Hop voor. De kruidlaag is best ontwikkeld in de dreven en bosranden en bevat Zachte witbol, Pijpenstrootje, Valse salie, Witte klaverzuring, Boszegge, Veelbloemige salomonszegel, Gewone wederik, Bleeksporig bosviooltje, Nagelkruid.

Eiken-haagbeukenbos

Bosanemonen in het Plaisiersbos

Bosanemonen

In het noordoostelijk deel van het bos komt op de laagste en natste delen van de vallei een ecologisch zeer interessant bostype voor. Het gaat hier om het Eiken-Haagbeukenbos. Belangrijke soorten in de boom- en struiklaag zijn Veldiep, Meidoorn en Es. Het uitgesproken voorjaarsaspect is hier opvallend met soorten als Speenkruid en Bosanemoon. Ook de in deze regio zeer zeldzame Kleine maagdenpalm is hier sterk vertegenwoordigd, naast Dalkruid en enkele exemplaren Gevlekte orchis. Het Eiken-Haagbeukenbos is gebonden aan iets rijkere bodems dan het zuur Eikenbos en is zeldzaam in de Vlaamse zandstreek.  De aanwezigheid van dit bijzondere bostype en de gradiënten naar het aangrenzende bos op basis van verschillen in bodemvochtigheid, bodemtype en reliëf zijn van groot belang voor de natuurwaarde van het Plaisiersbos.

Beheer

De algemene doelstelling is het behoud en ontwikkeling van een gevarieerd, gesloten tot halfopen boslandschap afgewisseld met enkele schrale graslanden en struweelrijke ruigtes en met goed ontwikkelde zoom- en mantelvegetaties.  De nadruk ligt voornamelijk op patroonbeheer.
Een grote structuurrijkdom en een natuurlijke soortensamenstelling van bomen en struiken staat hier voorop. De structuurrijkdom wordt hierin vooral bepaald door de aanwezigheid van open plekken, de ongelijkjarigheid van de boomlaag, de aanwezigheid van zowel liggend als rechtopstaand dood hout en spontane verjonging.

Door de gevarieerde structuur en de brede soortensamenstelling is een rijke fauna aanwezig. Opgemerkte soorten zijn: Buizerd, Ransuil, Bosuil, Gekraagde roodstaart, Groene en Bonte specht, Houtsnip, Boomklever. Verder Vos, Ree, Wezel, Bunzing, Eekhoorn.

In de uit pacht vrijgekomen weilanden en akker werden in totaal zeven poelen gegraven. Deze cluster zal in de toekomst bijdragen tot een belangrijke amfibieën populatie.
In samen werking met de plaatselijke Gezindsbond en de natuurvereniging kwam een geboortebos tot stand en werd heel wat struweel met inheemse struiken aangeplant. De overgebleven open ruimte wordt twee per jaar gemaaid met strooiselafvoer en zal in de toekomst evolueren naar een schraal bloemenrijk grasland.

Oppervlakte:

Ca. 30 ha bos en weiland

Eigenaar:

Gemeente Zedelgem

Beheer:

vzw Natuurpunt Zedelgem

Toegang:

vrij toegankelijk op dreven en paden. Een bewegwijzerde wandellus vertrekt vanaf de ingang langs de Bergenstraat

Contactpersoon

Peter Watthy: 04723594 75

watthypeter@hotmail.com

Start project:

2001

Projectnummer:

5552

2 Comments

Geef een reactie